Roman over Londen (Over Milos Crnjanski)

 

Precies een jaar geleden was ik in Londen voor een vergadering met een culturele stichting. Het regende, Brexit was aanstaande. Voortgestuwd door de haastige massa in claustrofobische metrokrochten en verdwalend in kapitalistische consumptieparadijzen, bijgelicht door de meest afschuwelijke Dickensiaanse kerstkitsch, verlangde ik hevig naar Europa.

In Paddington verbleef ik in een hotelzolderkamertje van anderhalf bij twee meter. Een krappe gang en een trap leidden me naar deze cel, waar de upper-class ooit het personeel wegmoffelde. ’s Nachts spookten dode dienstmeisjes van weleer door koortsige dromen. Schreeuwen en moordgeluiden in de kamer ernaast brachten me terug in de nacht en het neonschijnsel van Londen.

Nederlanders kirren het uit bij The Crown en Downton Abbey en dat ‘Order, order’ van Mr. Speaker John Bercow. Maar de Engelse leukigheid heeft, vind ik, iets te verbergen. Het is de klassensamenleving, de gruwelijke armoede, het destructieve kapitalisme, de viezige nostalgie naar een British Empire.

Deze smeuïge, boude generalisaties hielden me op de been in die laatste november voor Corona. Ik at op Edgware Road in een Iraans restaurant en voelde me er meer thuis dan in de pubs, waar kale, bleke mannen staren naar een scherm waarop te zien is hoe miljonairs achter een bal aanhollen en dansen naar de nukken van Arabische sjeiks en Russische oliemagnaten.

In de jaren 1946-47 schreef de Servische schrijver Miloš Crnjanski een Roman over Londen (Roman o Londonu). Ik lees het langzaam omdat het me anders te zwaar te moede wordt. Hoofdstuk na hoofdstuk sombert en mompelt het hoofdpersonage – de Russische émigré Rjepnin waarin we zonder veel moeite de schrijver zelf herkennen – over het unheimische Londen.

Een van zijn observaties gaat over de hondenliefde. In Hyde Park ontdekken Rjepnin en zijn vrouw de graven van honden, en de ‘herdenkingsmonumenten voor schoothondjes’. In het hoofdstuk ‘Ze zeggen tot ziens tegen hun hond’ schrijft Crnjanski met verbazing en venijn: ‘Ja, de Engelsen geloven dat ze hen weerzien, in een andere wereld’. Vooral Rjepnins vrouw kan er niet over uit: ‘In een zo reusachtige stad, waarin je zoveel ellende en armoede ziet, is dat voor haar pervers en amoreel.’

Later ziet Rjepnin op een billboard een boodschap van een dierenrechtenorganisatie.  In zijn rare staccatostijl schrijft Crnjanski: ‘De advertentie is getekend zodat het op een Goya lijkt. Je ziet drie honden, tegen de muur gezet, alsof ze worden afgeschoten. De honden zijn verschillend, maar bij alle drie staan de ogen wijd open, angstig. Verschrikking, angst, angst voor de mens, de moordenaars, zie je in elke van die honden. “Zolang mensen dieren blijven mishandelen, zal het idee van de wereldvrede nooit overwinnen” (dat staat er op die advertentie, die je ziet, op stations, regelmatig).’

Anthony Burgess, de scherpzinnige observator, schreef dat Britten hun gevoelens alleen kunnen tonen als het gaat om dieren, en dan vooral huisdieren. Zou hij gelijk hebben?

In diezelfde natte novemberavond stapte ik een Londense boekhandel binnen en belandde zowaar op de afdeling ‘hondenboeken’. Mijn vinger volgde de ruggen: honden van bekende Britten, honden van het koningshuis, honden in  de gezondheid, honden op reis, honden in de oorlog.

Ik bladerde door Bonzo’s War van Clare Campbell, over Britse huisdieren in de Tweede Wereldoorlog, en las de verkopersquote op de cover: ‘Filling with fascinating detail, this is a heavenly and most touching book. I was deeply moved.’

De dag erna bladerde ik het door in de tunnel. Terug op het vasteland zag ik beelden van premier Boris Johnson bij de stembus in de Methodist Central Hall. Na het stemmen poseerde hij voor de pers, samen, met zijn hondje, Dilyn.

De verkiezingen gaven hem een overweldigend mandaat om het Verenigd Koninkrijk definitief uit de Europese Unie te loodsen.

 

Een kortere, andere versie van dit blogje verscheen op het blog van Tirade.