Het geslagen dier

 

De oorsprong van ezels ligt in de mist van de prehistorie. Uit Afrika kwamen ze, en zevenduizend jaar geleden werden ze gedomesticeerd. Er zijn Egyptische hiëroglyfen die rijen ezels tonen in keurig gelid en Cleopatra baadde, naar het schijnt, in ezelinnenmelk.

Bij de oude Grieken had vooral het paard status. De ezel was tweede keus en leefde in het stof van de stad met de slaven. Niets goeds dachten de Grieken over hem: de ezel was gulzig en seksbelust, onnozel en alleen door stokslag in beweging te krijgen. Zij noemden hem onos, dat doorklinkt in bijvoorbeeld het Franse âne, maar tegenwoordig gebruiken de Grieken het woord gaidaros, wat zich laat vertalen als ‘hij die geslagen wordt’.

En zo sjokte de ezel door alle eeuwen. Enorme vrachten liet hij op zijn rug toe, voor een schamele hoeveelheid hooi. Door barre hoogvlakten, met karavanen naar het Oosten en terug. Op zijn rug zat de maagd Maria of Dionysos de zatte wijngod, en Sancho Panza maande hem in het zog van de Spaanse ridderromanlezer Don Quichotte, totdat de ezel in de negentiende eeuw een rol kreeg toebedeeld in het bonte strand-decor van Scheveningen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw maakte het armoedige vissersdorp een metamorfose door en werd (deels) een badplaats. De badderende elite wilde vermaakt worden en er verrees een pompeus Kurhaus. Voor een cent of twee boden vissers ezelsritjes aan voor de kinderen van ouders die in alle rust wilden flaneren. De Scheveningse strandezels werden een grote succes, al schrokken de chique Hagenaars van hun rauwe bestaan vol stokslag:

‘Ieder, die ook maar een overblijfsel van menselijk gevoel bezit,’ schrijft een briefschrijver in 1865 in het Dagblad van Zuid-Holland, ‘wordt te Scheveningen […] geërgerd door de mishandelingen die de ezels alhier van het ruwe jonge Scheveningse volk te lijden hebben!’

De ezels trokken de aandacht van de schilders van de (late) Haagse School, zoals ook Isaac Israels. Achter zijn ezel legde hij de dieren vast in verf en licht. Op het beroemde ‘Ezeltje rijden op het strand’ sjokt de ezel op een zorgeloze zomerse dag door het mulle zand, met op zijn rug de Haagse kindertjes. Maar niet alles op het schilderij is gevangen in het vrolijke licht. Met de ezel sjokt, in sombere kleuren, blootsvoets en het hoofd gebogen, de drijver – een stok in de hand.

Zo toont de zachtmoedige impressionist Israels de ezel toch als lotgenoot en slachtoffer van het grauw in de geschiedenis – van de Griekse slaven tot het ‘ruwe Scheveningse volk’.

Deze tekst verscheen eerder in het tijdschrift Haagse Historie.

Tags: