Woest en ledig


De zon wordt zwart / In zee zinkt de aarde –
Uit: Völuspá (Poëtische Edda)

 

Rijdend door een IJslands landschap van enorme rotsen en heel veel ijs overdenk ik de schepping. Ietwat theatraal uiteraard, maar ik ben dan ook geïnspireerd door een decor dat zeer ‘woest en ledig’ is. De ochtendzon hangt lodderig aan de horizon en ik passeer sneeuwvlaktes, een bevroren meer en bergen die als reuzen op me neerkijken. Het zilveren ijs kraakt en kruipt tegen het basalt, waardoor lange, donkere barsten ontstaan. Soms parkeer ik, stap uit en luister. Dan raap ik een klont ijs op en houd die als een prisma tegen het licht, en bezie de kleuren. Ik rijd nu al ruim drie kwartier een beetje bibberig in een pompeuze Landrover over de ringweg en ik heb nog vrijwel geen teken van leven gezien: geen tegenligger, huis of mens, geen poolvos of een kudde schapen. In dit decor zijn wij zoogdieren te gast, vooral in februari.

Nietig ben ik. Zonder zonnebril speel ik in de auto verstoppertje met het zonlicht en zijn weerkaatsingen vanuit alle hoeken. Ik zoek met mijn hoofd de schaduw van de achteruitkijkspiegel en gebruik het als een schild tegen de verblindende spiegelingen. Soms slalom ik rond de stralen met mijn hoofd, dan weer waggel ik met die Landrover. Er zijn toch geen tegenliggers dus het is de zon en ik. Een duel, zoals dat hoort: bij zonsopgang. De februarizon is met hulp van al dat ijs toch nog alom aanwezig, ondanks het feit dat die zelf de hele dag soezerig aan de horizon blijft hangen als een zwerver op een bankje. Soms denk ik in de verte een stad te zien, maar dichterbij gekomen blijkt het dan te gaan om een nieuwe besneeuwde berg, en nog een berg.

‘De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed.’ In den beginne was er niets, of een groot gapend gat: de ‘chaos’. Etymologisch gezien komt het Griekse woord chaos van ‘chasmao’, oftewel gapen. De IJslandse mythologie kent een mooi woord voor die chaos, en dat is de ‘ginnungagap’ (de gapende leegte aan de oorsprong). In de keel van een of ander reusachtig wezen vinden we het begin van alles – een grote indrukwekkende gaap waaruit iets ontsnapt. Een ziel? Een globe? Het leven zelf?

IJsland is een jong eiland, dus de oertijd lijkt dichtbij. En het landschap ziet er sowieso nogal oerknallerig uit. Pas twintig miljoen jaar geleden is het vulkanische eiland omhoog gestoten, en meer dan elders regeren hier de elementen: ijs, vuur, steen en wind. In de negende en tiende eeuw stuitten Vikingen op deze woeste gronde en besloten er, samen met hun tot slaaf gemaakte Kelten, te blijven. Door alle eeuwen heen leefden en stierven de bewoners van IJsland met de elementen – tot in het heden. Zeker wanneer ze reizen moeten ze elk halfuur de weer-app checken om te kijken of er sneeuwstormen aankomen, of het ijs smelt, of dat juist het gesmolten water snel weer gaat bevriezen. Niet wolven of criminelen liggen op de loer, maar lawines. En om dan nog maar te zwijgen over vulkanen en geisers. Borrelende modderpoelen getuigen van het helse vuur dat onder al het ijs verscholen ligt, en het eiland is nog volop in beweging. In 2010 braakte de IJslandse vulkaan Eyjafjallojökull zoveel as uit dat in heel Europa en daarbuiten het vliegverkeer dagenlang moest worden stilgelegd. Het zette de mens – kolonisator en vervuiler van het luchtruim – met beide voeten terug op de dunne aardkorst. Eyjafjallojökull gaf antwoord. Of nee, weerwoord.

Die ontzagwekkende, ja dreigende natuur is de trots van IJsland, en wordt gebruikt in de marketing. In diezelfde landenmarkering presenteert IJsland zich als een land waar de mythe (nog) met respect behandeld wordt, en waar het landschap zélf mythisch is. Waar de oeroude geschriften van de dertiende-eeuwse Edda’s worden gekoesterd, als waren zij een Steen van Rosetta, een Van Gogh of een Michelangelo. Zij zijn werelderfgoed, met een heilige status. IJslanders zijn er ook fier op dat er in het land – naar het schijnt – nog geloofd wordt aan trollen, elven, geesten en sprekende dieren. Goed, dat is allemaal flauwekul, maar dat van die mythe fascineert me. Daarom ben ik hier.

Met mythen is het kwaad kersen eten, althans in het Westen.

In de geest en de traditie van de Verlichting en meer in het algemeen van het rationalisme zijn mythen veelal afgedaan als sympathiek of charmante verhaaltjes, maar verder oninteressant voor het leven. Leuk voor in de kunsten, ter inspiratie, maar niet iets om je al te veel mee in te laten. Sterker nog: de mythe is zelfs een beetje viezig – soms kwaadaardig. In de negentiende eeuw en later nog, tot diep in de twintigste eeuw, beleefde de mythe in de Westerse wereld een renaissance, die niet altijd goed heeft uitgepakt. Duitse nationalisten ontdekten het potentieel van de Noordse mythen uit de Edda’s en gingen er mee aan de haal. Ze eigenden die zich toe. Ze plukten mythen weg uit Oost en West en vermengden die tot een giftige, xenofobe cocktail, die de universele menselijke angsten voor het vreemde mobiliseerde. Over de mythologische obsessies van de nazi’s zijn onnoemelijk veel studies verschenen, en die ga ik nu ook niet allemaal noemen. Die geschiedenis beschouw ik als bekend: het dwepen met swastika’s, de Zwarte Zon en allerhande hocuspocus met Wodan en Thor, heeft de mythologieën van IJsland, maar bijvoorbeeld ook die van India, voorgoed bezoedeld. Als (wat heet) Balkanhistoricus ken ik die discussie over de mythe maar al te goed. Historische gebeurtenissen uit de geschiedenis van veldslagen die ooit plaatsvonden in het gebied tussen Wenen en Ankara, zijn verheven tot ronkende mythen. Het bekendste voorbeeld is uiteraard het verhaal over de Slag op het Merelveld in 1389, toen het Ottomaanse leger van Sultan Murad een grote Slavische coalitie versloeg. Dat verhaal is later verrijkt met allerlei mythologische motieven over pratende valken en bijtende hellehonden, en werd vervolgens opgepompt tot een Servische mythe die politiek kon worden gebruikt (misbruikt) ter mobilisatie van het Servische volk tijdens de oorlogen in Bosnië, Kroatië en Kosovo gedurende de jaren negentig van de twintigste eeuw.

Om die reden hield ik me als historicus altijd ver van mythen. Op de universiteit(en) kreeg ik het ook ingepeperd: een historicus bestrijdt mythen. Maar de huidige klimaatcrisis heeft mijn mening over mythen veranderd. Wie zich verder verdiept in het verschijnsel van de mythen weet dat het niet alleen geinige verhaaltjes zijn over trollen, elven en goden met dierenkoppen, maar dat ze een ingang bieden in de betekenissen van het bestaan op aarde, omringd door levende natuur. De mythe gaat in de eerste plaats niet over de verklaring, maar over de betekenis van de verschijnselen om ons heen. Ze beschouwt de mythe als een gids die ons helpt een rijker leven te leiden. En dat rijkere leven ligt vooral in de ervaring van de aardse en hemelse sferen en de gewaarwording van het landschap, met al het leven dat daarin voorkomt. In haar overzichtswerk over de mythe legt de al genoemde religiewetenschapper Karen Armstrong uit dat de oudste sublieme ervaring waarschijnlijk verbonden is met een blik op de hemel. Ze gaat ver terug, heel ver, tot in het paleolithicum. ‘The sky towered above them’, schrijft ze, ‘inconceivably immense, inaccessible and eternal. It was the very essence of transcendence and otherness.’[i] Armstrong verbindt deze blik op de hemel in haar boek met het concept van ‘Das Heilige’, zoals dat is gemunt door de invloedrijke Duitse godsdienstwetenschapper Rudolf Otto (1869-1937). Want de hemel vormt niet alleen een fraai schouwspel van ochtendrood en maneschijn, maar ook van donder en bliksem, sneeuwstormen, onverklaarbare rolwolken en neongekleurde noorderlichtstrepen, eclipsen en vallende sterren. Al het heilige begint, zo schreef Otto, met een menselijk gevoel van enerzijds huivering en anderzijds fascinatie, of, toch maar in het Latijn, in een ‘mysterium tremendum, horibile et fascinans´.[ii]

Om terug te keren naar een dergelijke mythologische ervaring hoef je niet ver te reizen. De hemel is er nog. De Egyptische godin Noet strekt zich nog steeds uit over het hemelgewelf. En ieder dag is er een dageraad. Met de blik van Armstrong, Otto of – liever nog – die van jezelf kun je de dageraad gewaar worden als een natuurkundig verschijnsel van straling op stof in de atmosfeer, maar ook als een schijnsel waarin zich het bewustzijn, de werkelijkheid en het grote, weidse landschap onderdompelen.

Onderweg naar het meer van Mývatn, in het Noorden van IJsland, passeer ik bergen en watervallen. Van de Nederlandse IJslandkenner Simon Halink, die in Reykjavík woont, begreep ik dat hier in de zomer files staan met auto’s en bussen vol toeristen. Dan is het er lieflijk en groen, en het klimaat mild en aangenaam. Nu is dat anders, het is alles ijs. Bij een pompstation in het gehucht Reykjahlíð koop ik een koffie.

Op IJsland betaalt iedereen digitaal, maar ik had op het vliegtuig al veel contant geld opgenomen, dus samen met de pompbediende graven we in de muntjes in mijn portemonnee. De bediende lacht om mijn gestuntel en legt me uit welke dieren er allemaal op de muntjes staan. We kijken samen. Mijn favoriet is de hrognkelsi, oftewel de dikke, ronde ‘snotolf’, op de 100 kronen. Maar ook ontwaar ik een kabeljauw op het kleine muntje voor 1 kroon. ‘We houden hier van onze vissen en zeedieren,’ zegt de pompbediende, en hij haalt nog wat muntjes uit de kassa. Dolfijnen zie ik, geslagen in het messing, en krabben. Plechtig gaan de dierenbeelden tussen ons van hand tot hand.

Eenmaal buiten ga ik met een typische sloot Scandinavische koffie zitten onder het felle blauw van de winterhemel om te luisteren naar vogels en de door sneeuw gedempte geluiden. Het meer van Mývatn is nu deels bevroren, deels vloeibaar. In de Noordse mythologie komt er na de al eerder genoemde ginnungagap (gapende leegte) een bevroren koe ten tonele, die de wereld voedt met vier melkstromen. Daar waar het ijs en het vuur elkaar ontmoeten, schenkt zij het leven. De koe heet Auðumla en stamt af – over duizenden jaren en dito kilometers afstanden – van de Indiase oer-koe Kamadhuk, een kind van Moeder Aarde en de Hemelvader.[iii]

Dat mag wat ongerijmd lijken, maar de mythen van IJsland zijn uiteindelijk ook die van migranten uit de ‘Oude Wereld’. De dertiende-eeuwse Edda is opgeschreven door de IJslandse dichter en politicus Snorri Sturlusson. Hij plukte uit de toen bekende mythologieën van India tot Troje. Dat betekent ook dat de personages uit de Edda niet noodzakelijk typische Vikingen zijn die op IJsland leven. Het zijn mythische wezen die leven in een fantasieland dat overal ter wereld verbeeld kan worden.

En zo kan het gebeuren dat de van oorsprong Indiase oer-koe in de context van de Edda een uit smeltwater geboren ijsreus zoogt. Deze ijsreus is Ýmir. Nadat ze hem gezoogd heeft, voedt Auðumla ook zichzelf door aan de zoute stenen te likken. Het staat allemaal opgetekend in de oer-boeken: ‘Op de avond van de eerste dag waarop ze aan de stenen likte groeide er ’s avonds mensenhaar uit zo’n steen; de avond erop verscheen er een mensenhoofd en op de derde avond stond er een heel mens, een man genaamd Búri. Hij was knap van aanzien, groot en sterk.’ De oervader Ýmir wordt echter in stukken gehakt door het nageslacht van Búri, net zoals dat er aan toe ging met alle lynchpartijen in de Griekse kosmologie, waarin de ledematen en geslachtsdelen je meermaals om de oren vliegen. Uit Ýmirs afgerukte en in stukken gehakte lichaamsdelen ontstaat daarna de wereld.

Sparagmos. Het is een opmerkelijke constante in de verhalen: uit de dood ontstaat het leven, uit de vernietiging ontstaat de wereld. Zou dit les kunnen zijn voor deze tijd, in de eindeloze doem van een klimaatcatastrofe?

Bewust van de mogelijkheid om op behaarde stenen te stuiten, maak ik een rondrit om het meer. Het is een panorama van water en bevroren tijd. Voorbij Reykjahlíð bevindt zich het lavalandschap van Dimmuborgir – de ‘duistere burchten’. De naam kende ik al van een Noorse black metal band uit de jaren negentig, sommige klasgenoten luisterden daarnaar. De krullende lavasculpturen van Dimmuborgir zijn op natuurlijke wijze ontstaan toen 2300 jaar geleden na een vulkaanuitbarsting een lavastroom afkoelde. In de IJslandse legenden wordt verteld dat nacht-trollen bij het eerste licht in steen veranderen. Het kost me dan ook weinig moeite om in de lavasculpturen allerlei puisterige trollenkoppen te herkennen en ik loop door Dimmuborgir met een Efteling-gevoel en een vleugje black metal. Met een schuin oog houd ik de slaapdronken ochtendzon in de gaten.

Wat doet die toch? Heb ik dat nu verkeerd gezien, of is de ochtendzon ongezien overgegaan in de avondzon? Het is begin februari in het Noorden en er is nog veel nacht en weinig dag. De nacht-trollen indachtig besluit ik de Landrover op te zoeken en terug te rijden naar de aangeharkte mensenwereld.

 

 

 

[i] Karen Armstrong, A Short History of Myth (Edinburgh: Canongate, 2005), 17.

[ii] Rudolf Otto, Het heilige: Over het buitensporige van het numineuze, het mysterie dat doet huiveren en fascineert vert. Daniël Mok (Amsterdam: Abraxas, [1917] 2012).

[iii] Andri Snær Magnusson, Over tijd en water: Een geschiedenis van onze toekomst vert. Kim Middel (Amsterdam: De Geus, 2022), 85-99.